In opdracht van de Deutscher Verkehrssicherheitsrat (DVR) heeft het UADS-Institut een onderzoek gehouden naar veiligheidssystemen in vrachtwagens. In totaal werden 507 chauffeurs naar hun ervaringen gevraagd. De resultaten stemmen weinig positief: 59 procent van de chauffeurs gebruikt de rijhulpsystemen niet altijd. Bijna 20 procent van de ondervraagden zet bepaalde systemen regelmatig uit.
De rijhulpsystemen zijn bedoeld om de chauffeur te helpen tijdens het rijden. Door met camera’s en sensoren de omgeving in de gaten te houden en de vrachtwagen tussen de lijntjes te houden, werken ze als extra ogen en handen. Dergelijke systemen moeten echter wel goed werken, want anders werken ze juist tegen. Als een vrachtwagen elke keer gaat piepen als hij in de buurt van een lijntje komt, wordt een chauffeur horendol. Hij zal dan ook liever het systeem uitschakelen.
Verantwoordelijkheid
Manfred Wirsch, voorzitter van de DVR, stelt: “Rijhulpsystemen zijn geen decoratie. De inbouw van bepaalde systemen is wettelijk verplicht – en dat is niet zonder reden. Maar het is niet voldoende om de techniek alleen in te bouwen. We moeten zorgen voor acceptatie en consequent gebruik.” Hij spreekt over het trainen van chauffeurs in het gebruik van de systemen. Over de rol van de fabrikanten spreekt hij echter niet, terwijl daar juist een grote verantwoordelijkheid ligt.
Rijhulpsystemen werken alleen als ze ingeschakeld zijn en alleen reageren als er echt iets aan de hand is. Het is voor fabrikanten dan ook niet alleen belangrijk om dergelijke systemen in te bouwen, maar ook om te zorgen dat ze goed werken. Het is een juridisch mijnenveld, want bij een ongeluk kan het negatief overkomen als blijkt dat de chauffeur zijn rijhulpsystemen heeft uitgeschakeld. De kans bestaat dat de verzekering dan niet uitkeert.





